Vanaf 1960

Terwijl Europa zich na de Tweede Wereldoorlog maar moeizaam herstelt, zoeken kunstenaars naar wegen om uiting te geven aan de algehele ontreddering. Sommigen doen dat in volstrekt nieuwe, intuïtieve, heftig expressieve beelden, waarin de psychische energie van het moderne leven gestalte krijgt. In de jaren zestig mondt dat uit in grootscheepse voorstellen die uiteindelijk ook de grenzen van de kunst doen vervagen en die oproepen tot vergaande maatschappelijke hervormingen, zoals in Constants New Babylon. Oog in oog met de rampzaligheid van de oorlog gaan weer andere kunstenaars in een vrijwillige ballingschap. Zij kiezen voor een strak gestructureerde abstractie, zoals Bridget Riley of Sol Lewitt. De vooroorlogse wereld van het modernisme is in hun werk niet ver en wordt het fundament waarop een zelfbewuste kijk op de werkelijkheid vorm krijgt.

Deze twee uitersten hebben ook veel gemeen. Zij willen zich radicaal onderscheiden van de ongestileerde massa van de winkelende consument. Gaandeweg de jaren zeventig en tachtig zoeken kunstenaars in beide categorieën hun toevlucht tot meer en meer arme materialen en beelden, die het heimelijke en het exclusieve tot drager maken van zeer persoonlijke en psychologische betekenissen, zoals in het werk van Mario Merz. Kunst stelt zich op bezijden de werkelijkheid, tegenover het alledaagse, met uitzondering van een groep – vooral uit de Verenigde Staten afkomstige – kunstenaars die zich in hun werk juist bekennen tot het alledaagse, en die de beelden van het consumentisme en de populaire cultuur annexeren, zoals in het werk van Allan d’Arcangelo.

Deze laatste groep kunstenaars heeft in het verzamelbeleid van het Gemeentemuseum geen vaste grond onder de voeten gekregen. Het werk van Francis Bacon en Bridget Riley is een goed voorbeeld van het heftig expressieve en van het strak georkestreerde. Zij tonen de radicaal eigenzinnige houding van de oorlogsgeneratie. Die sluit aan bij grotere ensembles in de collectie van het Gemeentemuseum van kunstenaars als Constant, Anton Heyboer, Jan Schoonhoven en Daan van Golden. Hun werk drijft op de energie waarmee de grenzen tussen kunst en leven worden onderzocht. In het werk van Dieter Roth, Louise Bourgeois, Bruce Nauman, Georg Baselitz en Mario Merz staat het psychologische potentieel van simpele materialen centraal. Het werk van Lee Bontecou, Donald Judd, Sol LeWitt, Giorgio Morandi en Yayoi Kusama is radicaal simpel van structuur en vorm, maar weet juist daardoor visueel een snaar te raken die direct toegang geeft tot een metafysische beleving.

Bekijk alles onder Vanaf 1960