Stijlkamers

Bij de bouw van het museum in de jaren ’30 van de twintigste eeuw is door architect Berlage direct een belangrijke plaats ingeruimd voor een vijftal stijlkamers. Hier kan toegepaste kunst worden tentoongesteld in de omgeving waarin deze vroeger gebruikt werd. De kamers uit verschillende stijlperioden zijn merendeels afkomstig uit afgebroken herenhuizen uit Amsterdam, Den Haag en Dordrecht. De wanden, schouwen en plafonds zijn in het museum weer opgebouwd en soms aangevuld met onderdelen uit een ander huis die in de stijl passen. Het probleem van het hoogteverschil tussen de oude kamers en de museumzalen heeft Berlage opgelost door een lagere ligging, te bereiken via een oud trappenhuis.

De stijlkamers bestaan uit:
de Goudleerkamer (circa 1680);
de Gobelinzaal (circa 1710);
de Lodewijk XV-kamer (circa 1770);
de Japanse kamer (1720-1770);
de Lodewijk XVI-kamer (circa 1790).
 

De eerste stijlkamer, de Goudleerkamer, is samengesteld uit onderdelen uit twee verschillende Haagse huizen. Het trappenhuis met prachtig snijwerk uit omstreeks 1697 maakte ooit deel uit van een huis aan het Buitenhof. De schouw en het plafond met schilderingen uit 1680 van de Haagse schilder Theodorus van der Schuer zijn afkomstig uit een huis aan de Groenmarkt. De wandbekleding van goudleer is waarschijnlijk afkomstig uit een Amsterdams huis.

De Gobelinzaal was tot 1931 de belangrijkste ontvangkamer van een Amsterdams huis aan de Keizersgracht (nr. 143). De kamer is in zijn totaliteit verplaatst en geeft een prachtig beeld van een interieur uit omstreeks 1710. De rondom opgehangen wandtapijten van de tapijtwever Alexander Baert uit Oudenaarde vertonen een gefantaseerd boslandschap met gebouwen, waterpartijen en exotische vogels.

De Lodewijk XV-kamer bevond zich tot 1930 op de eerste verdieping van een huis aan het Haagse Westeinde, waar in de achttiende eeuw de dichter Hieronymus van Alphen woonde. De Lodewijk XV-stijl of rococo is herkenbaar in de zwierige asymmetrische versieringen van het snijwerk aan de betimmering, de spiegels en het witte stucwerkplafond. De kleuren van het verfwerk zijn enkele jaren geleden gereconstrueerd op basis van kleuronderzoek naar de meest oorspronkelijke verflaag.

De zogenaamde Japanse kamer is een heel bijzonder voorbeeld van een complete kamerbetimmering in de chinoiserie-stijl. Het vertrek is afkomstig uit het huis Buitenrust dat oorspronkelijk stond aan de Scheveningseweg en dat in 1912 is afgebroken voor de aanleg van de tuin van het Vredespaleis. De kleuren zwart, goud en rood met de glinsterende glassnippers op de wanden zijn geïnspireerd op oosters lakwerk, terwijl andere panelen westers goudleer en schildpad imiteren. De schilderingen tonen voorstellingen ontleend aan prenten van onder anderen Jan Luyken. Om het exotische karakter te benadrukken zijn de Europese ambachtslieden echter in ‘chineesjes’ veranderd.

De Lodewijk XVI-kamer is voorzien van versieringen in de strakke classicistische Lodewijk XVI-stijl die volgde op de rococostijl. Vooral het bijzonder fijne snijwerk is uitzonderlijk van kwaliteit. Het plafond, de schouw, de wandtafel en de houten wandbetimmering met de kleine schilderingen van vogels zijn afkomstig uit een huis in Dordrecht. De grote behangselschilderijen van Abraham van Strij stammen uit een ander Dordts huis. Zij zijn pas in 1934 in het museum samengevoegd met de betimmering.

Bekijk alles onder Stijlkamers