Haagse School

Halverwege de negentiende eeuw bracht de Haagse School een belangrijke vernieuwing in de Nederlandse schilderkunst. Rond 1860 vestigde een groep schilders, onder wie Jozef Israëls, de gebroeders Maris, Jan Hendrik Weissenbruch en Hendrik Willem Mesdag, zich in Den Haag. De stad kende een bloeiend kunstklimaat en een mooie omgeving. In tegenstelling tot hun leermeesters van de romantiek wilden de schilders van de Haagse School hun landschappen niet idealiseren maar op een realistische wijze verbeelden.

De Haagse School schilderde voornamelijk het Hollandse landschap. In navolging van de Franse kunstenaars van Barbizon, die rondom de bossen van Fontainebleau in de buitenlucht werkten, trokken ook steeds meer kunstenaars in Nederland erop uit om ‘plein-air’ te schilderen. De aanleg van nieuwe spoorlijnen en de productie van kant-en-klare verf in tubes maakten dit buiten schilderen mogelijk.

De in de buitenlucht gemaakte studies vormden in de koudere wintermaanden het materiaal in het atelier. Daar componeerden de kunstenaars van de Haagse School hun stemmige landschappen. Ze legden de nadruk op de weergave van licht en atmosfeer. Grootse luchten en de reflectie van licht op het water zijn veel terugkerende elementen. Gelijk aan de schilders van Barbizon maakte de Haagse School gebruik van tonale kleuren, wat de groep kunstenaars de bijnaam ‘de grijze school’ opleverde.

Het Gemeentemuseum beheert een omvangrijke collectie Haagse School. In 1866 werd in Den Haag de ‘Vereniging tot het oprigten van een Museum van Moderne Kunst te ’s-Gravenhage’ opgericht. Deze vereniging had als doel het stichten van een museum voor eigentijdse kunst in de stad. Dit initiatief ligt ten grondslag aan het Gemeentemuseum Den Haag. Ook kunstenaars van de Haagse School waren lid van de vereniging. Een groot aantal topstukken uit de collectie zijn daardoor al halverwege de negentiende eeuw aangekocht, gedurende het leven van de kunstenaars.

Bekijk alles onder Haagse School