Het museumgebouw van H.P. Berlage

Van 1935 tot nu

 

De eerste plannen

Op 29 mei 1935 opende het nieuwe Haagse Gemeentemuseum na een bouwperiode van vier jaar zijn deuren. Deze korte tijdspanne stond in schril contrast tot de lange aanloop naar de eerste steenlegging. Al in 1906 kwam gemeentearchivaris H.E. van Gelder (1876-1960), met plannen voor een nieuwe huisvesting van de historische verzamelingen van de Gemeente. Toen hij in 1912 als directeur van het Gemeentemuseum werd aangesteld, blies hij deze plannen nieuw leven in en kwam in 1914 met een museumnota. Hierin stelde hij vast dat de stad Den Haag een aantal nieuwe musea nodig had om aan de culturele vraag te kunnen voldoen. Naast het bestaande historische museum, pleitte hij voor een museum voor oude kunstnijverheid, een museum voor moderne kunstnijverheid, een museum voor moderne Nederlandse kunst en een museum voor moderne internationale kunst. Alsof dit niet voldoende was, dacht hij ook aan een aparte expositieruimte voor grote tentoonstellingen, een openbare leeszaal en aan een congresruimte.



H.P. Berlage overziet de bouw van het Gemeentemuseum.

De bouw (1931-1934)

Vertraagd door het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog, reageerde het gemeentebestuur pas in 1919 op deze nota en stelde voor de realisatie van de ambitieuze plannen een terrein aan de Stadhouderslaan ter beschikking. Als architect werd Hendrik Petrus Berlage (1856-1934) aangetrokken, die met een groots opgezet ontwerp voor een cultureel centrum kwam bestaande uit een museumcomplex maar ook concert- en congreszalen. Omdat dit bijna megalomane plan de Gemeente en ook de adviescommissie van het museum vele bruggen te ver was, kreeg hij uiteindelijk in 1927 de opdracht voor een meer bescheiden ontwerp. Het is dit plan dat in de jaren 1931-1935 tot uitvoering werd gebracht.

Een baksteen van 11 centimeter

Het nieuwe museum was het resultaat van de nieuwste museale inzichten. Omdat tijdens het interbellum vooral Duitsland op het gebied van de museologie een voortrekkerspositie innam, maakte Van Gelder samen met Berlage een reis langs een aantal Duitse musea om zich van de meest recente ontwikkelingen op de hoogte te stellen. Ze bezochten onder meer de Kunsthalle in Hamburg waar zij met eigen ogen konden zien hoe in de museumzalen bovenlichten werden toegepast. 

Zoals steeds het geval is bij de ontwerpen van Berlage, ligt ook aan het Gemeentemuseum een geometrisch ontwerpsysteem ten grondslag. De plattegrond van het gebouw is gebaseerd op een raster van 110 bij 110 cm. De maateenheid van 11 cm (of een veelvoud daarvan) is de norm die in de meeste gevallen de vorm bepaalt. In zijn meest basale vorm treffen we deze maatvoering aan in de gele bakstenen die het betonnen skelet verbergen.  Omdat 11 cm geen standaardformaat is, zijn de stenen speciaal door de NV. Kleiwarenfabriek Alfred Russel te Tegelen gebakken. Met toestemming van Berlage, die er op vertrouwde dat ‘deze steen aan zijn naam nooit eenig oneer aandoet’, bracht Russel de gele baksteen onder de naam ‘Berlage steen’ in de handel.

Vier keer elf centimeter is de roedeverdeling van de raampartijen zodat de gevel, ondanks de verscheidenheid aan venstertypen, een rustig beeld uitstraalt. Net als de deuren en kozijnen zijn de ramen vervaardigd van gebronst messing. Ook de vitrines die Berlage voor de afdeling kunstnijverheid heeft ontworpen, zijn in dit materiaal uitgevoerd. Qua maatvoering zijn de vitrines een veelvoud van 11 cm. zodat zij zich niet alleen harmonieus naar de museale zalen voegen, maar ook naar de geledingen van de raampartijen.

Gebouwd voor het licht

Net als in 1935 nadert de huidige museumbezoeker het museum via een lange, beglaasde pergola zodat hij geleidelijk afstand kan nemen van het drukke straatgewoel. Links en rechts van de gang ziet hij een vijver waarin het gebouw wordt weerspiegeld. Boven de ingang wordt hij verwelkomd door de Haagse stedenmaagd, een ontwerp van de Haagse beeldhouwer J.C. Altorf (1876-1955).  Eenmaal binnen betreedt hij de ruime, monumentale hal.  Hij is zich er dan waarschijnlijk niet direct van bewust dat op hem wordt neergekeken door een groot reliëf met een zinnebeeldige voorstelling van de kunst. Het reliëf in kalksteen is een ontwerp van Willem van Konijnenburg (1868-1943). Centraal staat wederom de Haagse stedenmaagd die tevens het goddelijk licht verbeeldt. De vijf engelachtige figuren die haar aureool lijken vast te houden, staan voor de vijf disciplines die het museum in 1935 liet zien: oude kunstnijverheid, muziekinstrumenten, prenten, Haagse historie en moderne kunst. Aan haar voeten komt het ‘volk’ samen dat zij met haar rechterhand de weg naar de kunst wijst. Vandaar dat het kunstwerk de spreuk ‘Eer het god’lijk licht in d’openbaringen van de kunst’ draagt.

Het hoogoprijzende karakter van de hal wordt versterkt door de wit geschilderde pijlers van het betonnen skelet waartussen in fel geel, rood en groen geglazuurde tegelvelden zijn aangebracht. Na verwerking van al zijn indrukken kan de bezoeker er voor kiezen recht door te lopen om bijvoorbeeld de afdeling kunstnijverheid te bekijken of de linker of rechter trap te nemen om de zalen met beeldende kunst te bewonderen. De situering van de kunstnijverheid op het niveau waar de bezoeker binnenkomt, is ingegeven door de museologische opvatting dat juist deze kunstvorm het dichtst bij de bezoeker ligt. Een belangrijk onderdeel van de afdeling kunstnijverheid is het stijlkamergebied. De stijlkamers uit de zeventiende en achttiende eeuw liggen vanwege hun hoogte voor een deel onder het maaiveld. Een intelligente oplossing van de architect om zo niet het bouwvolume aan te tasten.

Een opvallend element vormen de bakstenen uitbouwtjes in de gevels aan de vijverkant en aan de binnentuin. Op deze plaats zijn in de museumzalen wandvitrines aangebracht die dankzij een ingenieus systeem van glasplaten in de uitbouwtjes daglicht ontvangen.  Daglicht speelt een allesoverheersende rol in het museum. Vandaar dat de kunstnijverheidszalen op de begane grond die geen direct daglicht krijgen, indirect licht ontvangen via de ramen die in de bovenkant van de zaalwanden zijn geplaatst. In het geval van de museumzalen op de eerste verdieping is er sprake van zowel hoog invallend zijlicht als van bovenlichten. Vooral de kwestie van de bovenverlichting was voor museumdirecteur Van Gelder een belangrijk issue. Mede geïnspireerd door de oplossing in de Kunsthalle van Hamburg, werd gekozen voor de velumconstructie.  Deze impliceert dat in plaats van de gebruikelijke glazen lantaarn op de zaal, in de museumzaal een velum is aangebracht als ware het een verlaagd, glazen plafond. Het resultaat hiervan is een gematigd daglicht dat de zaal een zekere intimiteit verleent. Niet minder belangrijk is het feit dat de bezoeker geen last van oogverblindend licht heeft omdat het licht alleen via de zijkanten binnentreedt. De velumconstructie is vooral bedoeld voor de grote museumzalen. In de kleinere zalen is sprake van legramen van gefigureerd glas. Teneinde in ieder jaargetijde het juiste daglicht te kunnen garanderen, is in het dak een groot aantal glazen kappen aangebracht die het museum zijn opvallende verschijningsvorm verlenen. Onder deze kappen bevindt zich een ingenieus systeem van metalen lamellen waarmee de lichtsituatie kan worden geregeld.

Een rondgang door het museum




De erezaal van het Gemeentemuseum

De Erezaal

Als de bezoeker een van de trappen naar de eerste verdieping neemt, komt hij in de erezaal, de meest luxueus uitgewerkte ruimte van het museum.  We herkennen er de fascinatie van Berlage in voor de kristalvorm, zowel in de gefacetteerde opbouw van de zaal als in details als de trapsgewijze geledingen. Het kleurige tegelwerk roept associaties op met de sprookjesachtige wereld van het Nabije Oosten, een indruk die wordt versterkt door de groengekleurde en goud omrande tegelroosters waarachter de heteluchtverwarming schuil gaat. De zaal heeft een lambrisering van eikenhout, terwijl de vloer is belegd met kostbare, marmeren platen. In de eveneens eikenhout nis zat een inmiddels verdwenen abstract glas-in-loodraam, een ontwerp van Emil Emanuel Strasser (1888-1958), de schoonzoon van Berlage, die het gebouw voltooide toen Berlage in 1934 overleed.

Vanuit de erezaal kan de bezoeker zijn rondgang door de zalen met moderne kunst beginnen. Net als de benedenzaal was deze oorspronkelijk voorzien van een rubberen vloerbedekking. In eerste instantie was de keuze op linoleum gevallen, aangezien dit materiaal geen invloed heeft op de lichtwerking. Omdat echter rubber goedkoper was en een langere levensduur had, werd uiteindelijk voor dit materiaal gekozen. Een ander argument was het feit dat hierdoor werk werd verschaft aan een Hollandse fabriek, de rubberfabriek Vredestein te Loosduinen,  ‘in de huidige tijdsomstandigheden niet van belang ontbloot’. Achteraf bezien bleek de keuze voor rubber geen goede door zijn reflecterende werking als ‘asfalt in den regen’, terwijl ‘het lopen erover een onaangenaam gepiep veroorzaakte’. Vandaar dat in de jaren vijftig het rubber geleidelijk aan is vervangen door parket, terwijl tegelijkertijd de lambriseringen zouden worden verwijderd.

Restauratie

Tot zover deze rondgang door het museum. Dankzij de grootscheepse restauratie die het laatste meesterwerk van Berlage eind jaren negentig van de vorige eeuw heeft ondergaan, kan de huidige museumbezoeker hetzelfde ervaren als de bezoeker die in 1935 het net geopende museum betrad. De bekoring die toen van het gebouw uitging, is ook nu nog onverminderd aanwezig. Het ontwerp van Berlage is niet alleen een icoon van onze nationale museumarchitectuur, maar geldt ook internationaal als een van de belangrijkste museumgebouwen van de twintigste eeuw.