Het bootje met het opschrift ‘bie blau schuyte’ heeft een speelman als punterman die volgens het versje onder de prent luistert naar de naam ‘platbroeck’. De vogels zien deze met erotische symbolen toegeruste figuur voor een domoor (‘huijben’) aan en bouwen een nest op zijn hoofd. En ook al zingen enkele van de opvarenden uit volle borst – ‘al tiert sijn gezelschap datse moghen sweeten’- ze zullen de zangers van de blauwe schuit heten: geen kwalificatie om trots op te zijn. Deze zogenoemde blauwe schuit, het daarmee verwante narrenschip en een bootje in de vorm van een uitvergrote mosselschelp zijn typerende thema’s in het werk van Jeroen Bosch (1460-1516), een kunstenaar die de vastenavond uit eigen ervaring kende. Hoewel de vorm van de harp die ‘platbroeck’ aan een koord op zijn rug draagt meer aan de fantasie van de tekenaar dan aan de realiteit is ontsproten, behoorde het instrument zelf – in een kleine draagbare uitvoering – wel tot het uitgebreide instrumentarium waarover rondtrekkende speellieden in de middeleeuwen beschikten.