Het eenvoudigste type hoorn is een jachthoorn. Jagers en orkestmusici gebruikten hem vanaf het midden van de zeventiende eeuw. De omvang van de tonen is in principe beperkt tot de rij boventonen. Voor tonen uit de harmonische reeks kon de hoorn met één hand in de lucht worden gehouden. Maar door de hoorn naar beneden te brengen kon de musicus de rechterhand in de beker steken om de klank met een halve toon te verlagen. Al in ongeveer 1720 maakten musici hiervoor gebruik van verlengstukken of beugels. De zogenoemde Inventionshorn had beugels die in de hoorn konden worden geplaatst. Toch was de handtechniek nog steeds nodig wanneer een toon moest worden verlaagd terwijl er geen tijd was om de beugels te vervangen. De vraag naar wendbaarheid en een gelijkmatige toon gaf in de negentiende eeuw de aanzet tot de productie van hoorns die een volledige toonladder of zelfs chromatische toonreeks konden spelen. Een ingenieuze uitvinding (omstreeks 1824) die de behoefte aan extra beugels onderving, was de Cor Omnitonique van Charles Joseph Sax. In alle beugels was voorzien, geïntegreerd in het instrument. En een beweegbare zuiger, die in het midden door alle beugels loopt, maakt het mogelijk de juiste lengte te kiezen voor de gewenste toonsoort. Maar het duurde niet lang of zulke instrumenten waren verleden tijd. Door de uitvinding van het ventielsysteem en een nieuwe vingertechniek om de ventielen te combineren, werd de hoorn het instrument dat we nu kennen als Franse hoorn.